Zaterdag is op laatste benen lopen. Heb het helemaal gehad: hoofd vliegt uit elkaar, heb buikpijn en wil me dan ook zo snel mogelijk bij Mike in de ziekenboeg voegen. Helaas moeten we nog een pokke-eind terug naar Accra. Zeven uur 's avonds is het, wanneer onze chauffeur Awdu (spreek uit: Brabants 'houdoe' zonder h) de oprit van het huis van de zusters oprijdt. Een half uurtje later lig ik in m'n bed terwijl Mike wat verderop z'n best doet op de WC. Misschien zijn het alleen maar de slechte nachten die ik deze week achter de rug heb (toch effe wennen om niet meer tegen Mike aan te kunnen kruipen) maar zuster Ann denkt daar heel anders over en zet me voor de zekerheid ook maar aan de anti-malariapillen.
Zondag blijkt het allemaal wel mee te vallen en ben ik zelfs in staat om mee te gaan naar de swimming pool van een erg duur hotel, waarop Zuster Ann haar gasten op de laatste dag van verblijf meestal trakteert. Bij aankomst leidt de vraag van de receptioniste of Pieter en ik Zuster (!!!) Ann's zonen zijn tot de nodige hilariteit. Uiteraard denk ik hier het mijne van en besluit het maar te beschouwen als een complimentje voor Pieter. Het is een mooie gewaarwording om de vijfenzestig jarige, statige vrouw in prachtig blauw ouderwets zwempak uit de cabines te zien schrijden. Liggend aan de rand van de pool kijk ik toe hoe Pieter en Zuster Ann keuvelend hun baantjes trekken. Het is een mooie week geweest. Drie mensen die elkaar nauwelijks kennen en die na een dag of zes ineens een stukje dichter bij elkaar staan. Zonde van Mike. Hoewel ik moet toegeven dat het best eens lekker is om even een dag of wat niet op elkaars lip te hoeven zitten, ging het er deze week natuurlijk wel om. Als het goed is, is Appiah voorlopig dan ook nog even niet van ons af.